Vincent Edward Charles vertelt verhalen. En hier kun je er een paar lezen.

 


Van me af

 

Soms wil ik heel graag mijn verhaal laten horen aan mensen. Ik ben enthousiast over wat ik heb opgeschreven en kan ervan genieten als ik anderen ook enthousiast zie worden van wat ik heb gemaakt. De negatieve vertaling hiervan is: ik heb de bevestiging nodig van anderen. De verhalen lees ik voor in de hoop “Och, wat goed Vincent”, te horen. Of: “Ach wat kan je toch geweldig schrijven, Vincent.”

 

Zeker, zeker. Er zijn veel momenten dat ik schrijf voor wat het me oplevert. De ene keer zijn het euro’s, maar soms dus bewondering of bevestiging. Ik vind het leuk om bewonderd te worden en fijn als iemand me af en toe laat weten dat het terecht is dat ik iets dat ik zelf heb gemaakt de moeite waard vindt. Bevestiging zo je wilt.

 

Als dat wat ik maak de moeite waard is, zal ik het zelf ook wel zijn, toch? Is niet helemaal zo. Ken je Simon & Garfunkel? Die maakten mooie muziek, vind ik. Maar iemand vertelde me dus dat die twee constant met elkaar in de clinch lagen en de hele tijd bonje hadden. Oh wacht. Dat is hetzelfde. Wat is het verschil tussen in de clinch liggen en bonje hebben? Kun je in de bonje liggen? Dat is een ander verhaal, maar wat Simon & Garfunkel samen hebben gemaakt, het gemaakte: als je dat in één kamer hebt, vanuit een fijn setje speakers: ja, dat is de moeite waard. Lekker onderuitgezakt luisteren naar the Sound of Silence. Heerlijk.

 

Het gemaakte is fijn, maar zet voor de gein de twee makers even bij elkaar in dezelfde ruimte. Dat wordt één drama. Nu is drama op zich voor velen de moeite waard. Kijk maar naar GTST en dan vooral naar hoeveel mensen ernaar kijken. De schinnige Ludo, de emotionele Laura en de geslaagde Arnie en de verschrikkelijke Martine Hafkamp: hele generaties hebben ervan weten te smullen. Dus eh… Twee muzikale sterren uit de 70’s in één kamer die de hele tijd ruzie maken, twee makers bij elkaar: het kán werken. Zeker als je Caroline Tensen rechtstreeks vanuit de 90’s naar het hier en nu buzzt… “Goedenavond en welkom bij weer een afdeling van Het Spijt Me. Het programma waarin iemand met een bloemetje sorry zegt ergens voor en waar heel RTL4-kijkend Nederland een traantje bij wegpinkt. Vanavond hebben we twee heel bijzondere gasten: Simon en Garrefunkel…” Ja, dat zou een nucleaire kijkcijferexplosie opleveren van jewelste. Een jewel onder de kijkcijferkanonnen, zeg maar. En waarschijnlijk dus wel de jewelste.  Die twee, eerst ruziënde, en dan na Caroline’s aandringen de vrede sluitende muziekanten… Ja, dan zijn het gemaakte en de makers dus eventjes precies evenveel de moeite waard. In elk geval qua kijkcijfers.

 

Dus. Soms lees ik iets voor omdat ik denk dat het echt vet is wat er uit mijn hoofd en mijn vingers is gekomen. Het gemaakte is mooi. En ik heb dat dan gemaakt. Het voelt dan even alsof ik het helemaal gemaakt heb, want dat héb ik dus, weet je? Er is dus echt wel samenhang tussen bewondering en bevestiging. Als mijn verhalen goed zijn, ben ik het ook. Mijn beste verhalen schreef ik op goede momenten. Ik was goed, zo ook mijn verhalen.

 

Toch: op mijn ellendigste momenten kon ik ook wel leuk tikken hoor. Waarschijnlijk omdat ik hoe dan ook getikt ben. Hahaha, oh wat lachen. Nee joh, komt natuurlijk omdat er, onder die diepe laag van me ellendig voelen, nog wel een goede schrijver zit. Misschien zelfs wel een goed persoon!

 

Weet je: ik zit al de hele dag met een enorm writer’s block te worstelen. Nu snap ik waarom. Ik heb teveel een publiek in gedachten. Een groep lezers of toehoorders die uitzinnig moet worden van mijn verhaal. Helemaal schuimbekkend op de grond liggend van enthousiasme en bewondering. En bevestiging. Het is een motivatie die me niet in beweging krijgt. Integendeel. ‘Hé! Ga anders nu even een goed verhaal schrijven voor een zaal vol smachtende mensen, Vincent’: het leidt niet tot een goed verhaal, laat staan tot een zaal die van smachtend transformeert naar Oh My Gaawd.

 

Schrijven omdat ik vind dat ik gewoon even iets moet schrijven, vanwege het feit dat ik denk dat het echt even opgeschreven moet worden, met als motivatie dat ik (Vincent, hoi) het goed vind: dat werkt dan vaak weer wel. Zoals nu. Vind ik. En als ik dan ook nog denk: ‘Hé! Deze persoon of deze groep mensen worden er vast enthousiast en misschien zelfs wel uitzinnig van, want dit vinden ze gewoon tof, kan niet anders en ik gun deze mensen het genieten van het gemaakte’: dan is het tijd om het voor te gaan lezen.

 

Als de mensen er zo uit zien van: ‘Nou nu even geen verhaaltje hoor!’, dan moet ik het misschien maar niet doen. Want ze luisteren heus wel even, want beleefdheid en aardig gevonden willen worden en zo, maar als het klaar is, zijn ze blij dat ze van me af zijn.

 

Misschien onderbreken de mensen die het niet willen aanhoren me zelfs wel. ‘Sorry Vincent. Ik moet door. Ik ga. Sorry.’ Dan zijn ze eindelijk van me af. En dat komt dus – en daar komt ‘ie – omdat ik zelf ook van me af ben op dat moment! Ik ben bij mezelf vandaan bewogen. Ik sta niet in mijn kracht en vanbinnen voel ik een leegte. Die probeer ik op te vullen met andermans bewondering en bevestiging. De motivatie om voor te lezen zit ‘m niet in mij, maar in mijn externe zoektocht naar iets om het binnenste mee af te dekken. Of zo. En dan ben ik van me af en beweegt de lezer of luisteraar na een tijdje ook van me af.

 

Ja man. Daar moet ik van af. Weet je wat? Ik ga ervan af en ik zie er van af. Ik ga op iets anders. En dat is: vertellen wat er in me zit en wat gewoon naar buiten moet, omdat het de moeite waard is. Ik ga op ik. Ga je mee? Dus: ga je mee naar het volgende verhaal? Doe het alleen als jij, vanbinnen, in de kern voelt of denkt te voelen dat jij daar zin in hebt. Anders beweeg je straks van jij af. En dat moeten we ook niet hebben, toch? Nee, ga dan maar van me af. Het geeft niet, want ik ben op mezelf. Nu in elk geval even wel. En daar gaat het om.




Goed voornemen voor Rotterdam?

 

Rotterdam wordt een steeds leukere stad. Als je de 010 doorkruist, wordt het dagelijks weer lastiger om rotte stukken te vinden die langdurig zijn. Mindere wijken die niet worden onderbroken door ‘aardig opgeknapt’, ‘leuk gedaan nog’ en ‘zelfs hier gewoon hartstikke tof’: ze bestaan niet meer. In elk geval aan de noordkant, maar Zuid gaat ook als de brandweer. En toch. Toch blijft het een t*ringstad, want er lopen nog steeds teveel t*fusidioten los rond. Jemag wat een schuttingtaal jeeemag, hoor ik je denken. Maar ik ben boos. Alweer. Hufters! Ik heb dan wel geen laserpistool maar wel een toetsenbord ja! Pieuw-piew!

 

In mijn studietijd nam ik het heel serieus. Al mijn vrienden die ik toen ook al had, herinneren me er nog regelmatig aan. Ze schreeuwen keihard “Viiibes!!!” door het etablissement waar we op dat moment onze opties voor het vervolg van de avond bediscussiëren. En dan kijken ze naar mijn blozende kop. Ik snap ze goed. Zo’n vijftien tot tien jaar geleden maakte ik me er iedere vrij- en zaterdagavond steevast keihard voor: dat dansvloertje aan de Westersingel, schuin tegenover wat het tramhuis was. Ik moest en zou er heen. En al mijn vrienden ook. Geen ruimte voor discussie. Mee! V-i-b-e-s!

 

In de Vibes was het makkelijk scoren. Als je daar niet slaagde, ging het je nergens in Rotterdam lukken. Ik vond het wel leuk om te zwieren en wat te zoenen. En dus boog de avond die begon in Rotown, Calypso, Beurs of weetikhetwat vaak af naar dat zaakje dat net wat verder zat dan de Consul vanaf het Centraal Station gezien. Dat tentje waar je af en toe het nu permanente doorgangetje vanaf Stalles (of is het Parket?) naartoe kon nemen. Wat was het er leuk. Zo’n beetje met alle vrouwen die ertoe hebben gedaan in mijn leven – behalve mijn moeder, zus en allereerste vriendinnetje – heb ik ervaren dat zoenen het allergaafst is in de Vibes.

 

Okee, okee… Het lijkt meer dan het is. Op de zeker vierhonderd keer dat ik binnen was ben ik vermoedelijk in maar zo’n 5 procent van de gevallen met een meissie naar buiten geveegd. Er was heus meer te doen dan leftovers en te hoog gegrepen sujettekes van de dansvloer proberen op te pikken. Je kon er heerlijk dansen bijvoorbeeld. Op sommige avonden dan. Als het niet te vol was en niet te leeg. Als de crowd een beetje wilde en de muziek klopte. Dat was bij mij meestal wanneer die Indonesisch ogende knul achter de wheels of steel stond. Drop it like it’s Hot van Snoop Dogg is de eerste heerlijke Vibes-plaat die me te binnen schiet. En die gasten van NERD in de remix van Nine Inch Nales dan... Gwen Stefani deed het ook goed, met It’s My Life onder andere. En zo nog een hele Winamp-wachtlijst. De dj draaide soms oude klassiekers van Michael Jackson en zelfs een paar keer Where Did Our Love Go van Diana Ross. Wat een held! Zo vaak zo heerlijk staan dansen joh!

 

Ook dit moet ik nuanceren, sorry. Heel vaak werd er ook helemaal niet gedanst. Een beetje hangen in het rokershok of om die twee meiden rechts vooraan de bar heen draaien. Zitstaanzit-leunen tegen dat net niet bankje aan de zijkant van de dansvloer. Hikkend naar de wc en dan wachten op drie snuivers voor u. Net jammer als je een grote boodschap moet doen… Na zulke nachten kwamen we met een groepje vrienden thuis en dan was de algemene conclusie dat het toch weer helemaal kut was in de Vibes. Ik had weer professioneel mijn zin lopen door te drijven, hopend op lekkere, gewillige wijven, goede muziek en gezelligheid. En dan bleek het toch weer eens niet zo te zijn. Bedankt, Vincent!

 

Soms was het écht klote. Dan voelde ik me ook wel een beetje schuldig over mijn gedram. Zoals die keer dat we bijna naar buiten gingen om te matten met twee jongens die het me niet toestonden hallo te zeggen tegen een vriendinnetje van school. Omdat hun maat al met haar stond te lullen. Ja ho eens even! Op de “Kom naar buiten dan!” na wat duwen en trekken reageerden ze alleen wel héél enthousiast, dus ik besloot heel wijs en ook wel heel laf om binnen te blijven. Uren later sprak ik een van de twee jongen aan de bar toch nog eens aan. Gewoon om te vragen waarom het allemaal zo oververhit moest zijn. Geloof het of niet, maar toen hadden we zowaar een tof gesprek. Aardige gozert, zoals zoveel gasten in de Vibes. Het bleek wél dat ik flinke mazzel had. Ze wilden namelijk zo graag buiten spelen omdat ze semiprofessioneel boksers waren. Aha. Kwam ik even goed weg… Blozende emoji.

 

Ben er wel vaker goed van af gekomen. Een keer stond ik lekker te dansen op Cypress Hill, Wu Tang of weetikhet. Een beetje met mijn armen zwaaien zo… Kwam er een vriendelijk- en Surinaams ogende gozer op me af. Waarom ik zijn soort belachelijk stond te maken en stond te dansen als een niet-blanke, wilde hij weten. En waarom ik zo’n k*nkerracist was, daar was hij ook benieuwd naar. Heb geluld als Brugman. Iets met “Als je ziet hoeveel gekleurde artiesten er in mijn cd kast staan, vraag je dit soort dingen niet.” Het maakte de eerder zo aardig lijkende jongen niet uit wat ik zei. Hij was boos en wilde met me vechten. Al snel stond er een groepje van zijn makkers om me heen en die hadden bepaald geen vriendelijke uitstraling. Ik probeerde het verhaal over de muziekcollectie bij één van hen en dat hielp wonderwijl. De boze donkere jongen werd door zijn gangstervrienden bij me weggehouden en dat was dat. Eenmaal buiten waren ze nergens te bekennen. Pfoeh!

 

Een van de meest bijzondere ervaringen in de Vibes was nog wel dat ik er wakker werd. Die avond had ik met een groepje vrienden mijn, wat zal het zijn, 23e verjaardag gevierd en heel diep in allemaal glaasjes gekeken thuis. Toen met een lekkere voorgedraaide blow in mijn bek naar de place to be gestrompeld en mijn meest nuchtere kop opgezet toen we eindelijk vooraan in de rij waren. Zo kwam ik binnen. Een uurtje later pleurde ik in een diepe, verre, slijmende slaap bij de pinautomaat net na de garderobe. De portier, die lange kale met die vrolijke kop die bij eerdere akkefietjes ook al mijn ass had gesaved – de piekies voor uitsmijter zijn nooit voor niets – maakte me wakker. “Wakker blijven of naar huis!”

Stel je eens voor: ontwaken vanuit een heftige oerslaap in een vól draaiend danstentje met blije partypeople, gerse muziek en discolampen midden in Rotterdam. Mooi toch? Heb een tijdje staan gapen en een rondje bier gehaald voor de vrienden die ik nog kon vinden. Daarna een heel leuk meisje versierd. Ze droeg een wit T-shirt die avond. Daarna had ze veel leukere dingen aan. Of niks. Nog even verkering mee gehad zelfs…

 

Zo’n twee jaar terug ontwaakte ik ook weer in Vibes. Uit de illusie, welteverstaan. Opeens zag ik het. En ik róók het. Het is gewoon een alco-hol! De zware lucht blaast je gezicht in als je door het gangetje loopt. De geluidsinstallatie is om te huilen. Het volk zwaar jong…


Wat staan ze nou toch tof doen op de dansvloer... Zie die meisjes allemaal lazarus zijn. Kijk die knulletjes zichzelf en deze hele teringzooi nou toch serieus nemen… Opeens zag ik mezelf staan daar. Een studentje, blonde krullen, stoere uitdrukking, een jaar of 22, 23, peuk in de mondhoek… Dat was ik, dacht ik. En dat was ik ook wel echt een lange tijd. Tot ver na de geboorte van zoon 1 hing ik er rond, want niks burgerlijk, niks oud. Ik kon heus nog wel los gaan en meer van dat soort bullshit. Die avond werd ik wakker. “Dit is echt de laatste keer”, zei ik, zoals wel vaker. Nu meende ik het. De Vibes-tijd was na zeker tien jaar voorbij.

 

Nu weer terug naar het begin van dit verhaal. Ja. Rotterdam heeft die leuke tent nog steeds. En er zijn dus nog steeds jongens – zoals die krullenbol– die ervan kunnen genieten. Gelukkig maar. Alleen… Waar ik twee keer goed wegkwam, qua in elkaar gehoekt dan wel neergestoken worden, liep het voor die jongen uit Ridderkerk heel anders af. En niet omdat ‘ie een grote muil had of per ongeluk aanstootgevend stond te dansen. Nee, zomaar.

 

Ik ontwaakte in de Vibes. Twee keer. Laten we hopen dat die knul van 22 hier levend uitkomt. En degene die dit op zijn geweten heeft… Ik hoop ook dat je ontwaakt. Uit de droom waarin dit verantwoord lijkt. Wat heb je een zielig beeld van de wereld, wat heb je een verknipt beeld van jezelf als je dit van de stemmen in je kop moet doen tijdens het uitgaan. Hier allemaal haat. Vul zelf maar wat in. Ik kan er niks aardigs over zeggen, echt niet.

 

Rotterdam ontwikkelt als een gek. Iedere dag maakt de stad me weer wat blijer. Er komen steeds meer leuke pleintjes, fijne restaurants, geinige festivals, mooie culturele initiatieven enzovoort. Hartstikke toppie, maar dat zijn bakstenen, horeca, entertainment en kunst en zo. Nu de mensen nog. Echt dit soort berichten… Dit soort gasten… Dit soort ex-vriendinnetjes doodschietende, studentes verkrachtende, Amerikaanse meisjes neerstekende, terroristische aanslag beramende, filmfestivalfeestbezoeker doodslaande, álles verneukende schijtlieden, dit soort ellendige eikels… Het lijkt wel of het er steeds meer worden.

 

En nu is er dus weer een onschuldige knul slachtoffer met zijn vrienden. Ik zag mezelf staan op dat dansvloertje en ik zie mezelf de afgelopen paar dagen liggen op een brancard. Op straat voeren ze een openhartoperatie uit bij me, omdat ik zomaar aan de beurt was. Noem het egocentrisch, noem het wat je wilt, maar dit raakt me. Ik hoop zo dat dit eens wat minder kan. Dat dit de goede kant uit kan bewegen, zoals dat op allemaal andere vlakken ook lukt in mijn stad. Ik gun Rotterdam ook op het gebied van de mensen zoveel beterschap. Een gelukkig en gezond 2019, fijne stad. Maak er wat van.

 

En oh ja. Ridderkerk-dude: sterkte en succes. Je kan het! En je vrienden ook! Ik hoop dat jullie dit overleven en ooit ook kunnen genieten van een post-Vibes-tijdperk.

 

Dit verhaal schreef ik naar aanleiding van de steekpartij voor de Vibes eind 2018. Onderstaande foto is uit 2004.

 


Goed voornemen voor mij

 

Staropranen Nealko staat er op het blauwe etiket van het flesje bier dat ik net op het tafeltje van deze vakantiehut zet. Het is de Tsjechische versie van de Heineken 0.0; Nealko staat voor ‘nee alcohol’. Er zit maximaal 0,5 procent alcohol in, zegt de fles ook. Mijn goede voornemen voor 2019 heeft te maken met minder doen van van alles. Zo dus ook minder drinken. Qua alcoholpercentage lukt dat op dit moment wel aardig. Wel heb ik een halve literfles, want je moet niet te snel gaan en kleine flesjes motten ze niet in dit gedeelte van Europa.

 

“Ik zou willen dat ik twee magen had.”, was meerdere keren mijn antwoord op iemands vraag of dat wat ik aan het eten was lekker was. Het maagje zit na even flink schrokken vol en dan is het natuurlijk balen dat je niet gewoon via het automatische volgeraakherkenningssysteem het klepje van de volle pens sluit en in één hydraulische ‘bwuuuhp’-beweging het andere klepje opent zodat je met alle gemak nóg een portie van iets kunt verorberen. Och, soms zit ik ergens zo fijn te eten en drinken: dan hoop ik dat ik wel vijftien magen heb! Allemaal zo lekker! Dat er op het terrein een hele installatie van magen staat weet je wel. En dat er een team heel serieus en toegewijd in de weer is om op tijd stukken maagcapaciteit aan en af te koppelen. Dat zou toch mooi zijn…

 

Het bier smaakt okee voor zijn categorie (0,0) en de temperatuur is in orde. Buiten is het 2 graden en ik heb het bier op het terras gezet, want het koelkastje is hier niet zo groot. Die is kleiner dan wat optimaal is voor het behoud van mijn maagcapaciteit, zeg maar.

 

“Had ik maar twee agenda’s!”, riep ik laatst. En dat kwam ook al door overvloed. Er diende zich weer een mooie activiteit aan voor het jaar 2019, maar dat zou dan wel ten koste gaan van allemaal andere leuke dingen in het nieuwe jaar. Zo ziet mijn leven er uit voor wat betreft plezierige activiteiten: er is zoveel tofs te doen dat ik keuzes moet maken. Iets kiezen betekent vaak iets anders niet kiezen en dat vind ik dus moeilijk, vandaar al die magen, agenda’s en een krat met allemaal verschillende biertjes, waarvan een heel deel ook zonder alcohol op het terras van het vakantiehuis vlakbij het drielandenpunt Duitsland-Polen-Tsjechië. De locatie van dit huisje heeft overigens niks te maken met keuzestress. Denk ik.

 

“Het komende jaar wil ik de tijd nemen voor dingen.”, verkondig ik de laatste weken aan iedereen die het horen wil of op schreeuwafstand staat. Het is teveel, ik zit vol. Met bier, leuke klussen, eten, creatieve hobby’s, middelen, uitstapjes en al het andere waarvoor ik de hele tijd kies. Als ik zo doorga, klap ik uit elkaar. FOMO bepaalt dan hoe ik leef tot het me fataal wordt, vrees ik. Ik ben dus bang om dood te gaan aan de gevolgen van bang zijn voor niet alles uit het leven halen. Want omdat ik ‘het’ eruit wil halen in dit leven ben ik zó bezig met van alles doen, ervaren, tot me nemen en vooral niet out missen dat het soms pijn doet. En stress oplevert. En niet bevredigend is. Ik haast me van leuks naar lekkers en van lekkers naar gaafs. Ik heb de tofste, meest dankbare klusjes ter wereld, maar ik doe ze gehaast en tegelijk met heel veel andere dingen. Ik ken de mensen die ik wil kennen, maar als ik ze zie, ben ik dikwijls afgeleid en bezig en vooral niet aan de lijn.

 

Het klinkt misschien allemaal heel zelfkritisch, maar ik vind mezelf best leuk hoor. Ik mag er zijn zoals ik ben, zover ben ik al. Waar ik ook ben, is dat ik dingen van mezelf steeds meer mag loslaten. Maar ja: om dan nu opeens allemaal activiteiten en mensen en gebruiken radicaal los te gaan laten is ook weer zoiets. Ik zei het al: ergens niet voor kiezen vind ik moeilijk. Daarom dus dat goede voornemen. Ik kies vanaf volgend jaar voor het de tijd nemen voor dingen. De dingen die ik doe, blijf ik doen. Ik neem er alleen meer de tijd voor. Een avondje schrijven? Dan is dat wat ik doe. Dus niet met mijn mail, Insta, whats-app en whatever bezig. Gesprekje met een klant? Dat is mijn activiteit. Vanaf de ‘haai hallo’ tot ‘doeg tot ziens’. Stukje wandelen? Stappen zetten, kijken, in me opnemen, zijn. That’s it.

 

Eten wordt het ding waar ik nog wel de meeste tijd voor ga nemen. En dan bedoel ik dus niet dat ik er een maaltijd bij ga doen of op de meest idiote momenten ga vreten, want ‘ik neem de tijd voor dingen en dus ook voor eten’. Nee hoor: het aantal maaltijden blijft gelijk. Ik ga nu alleen langer over de maaltijd doen. Kleine hapjes. Goed kauwen. Wat proef ik? Hoe is de structuur? Hoe ruikt het? Hoe ziet het eruit? Waar doet het me aan denken? Hapje voor hapje word ik rustiger en meer in het hier en nu. Iedereen die ooit een mindfulnesscursus volgde, denkt nu aan een rozijntje. En iedereen die dat niet deed ook, want het staat er en dus denk je eraan. ROZIJN!

 

Het flesje is net iets minder dan half vol en mijn zoontje komt naar beneden. Het is hem te warm boven. Hoe is het jongen? Hij wil weten aan wie ik dit verhaal schrijf. Ik eigenlijk ook wel. Dit verhaal is af. Ik heb er de tijd voor genomen. Nu neem ik tijd voor dat wat nu lekker naast me komt zitten. En voor dat restje lauw Tsjechisch bier. Of is het Hongaars? Staropranen komt volgens mij uit Hongarije. Doei lezers.

 


Bovenstaande video is onderstaand verhaal, maar dan voorgelezen met een muziekje eronder en wat luchten voor de luchtigheid.

Vaarwel Paddy!

 

In een geplaveide wereld is de grond glad. Niet dat je constant uitglijdt, maar hij glimt wel. Geen propjes op de grond, geen modder. Niemand die met zijn stepje sporen achterliet op de vlakke vloer. Zover als je kunt kijken rijkt de spiegel die de oppervlakte van de wereld is. Voor je, achter je, naast je: alle kanten uit. 
Boven is het steeds anders. Dan weer strakblauw, dan weer grijs. De ene keer schapenwolkjes en de andere keer straaljagerstrepen. Soms een combinatie van ’t een of het ander.


Precies in het midden van de marmeren (ís het marmer?!) plavuizenwereld staat een ANWB-paddenstoel. Hij geeft leuke bestemmingen aan waar je slenterend of met de Solex jezelf heen kunt begeven. Er zijn in deze wereld geen iPhones, kaarten, wiggelroedes of metaaldetectoren. Dit plastic dingetje is het enige wat vertelt waar je heen kunt gaan en hoe ver dat is. 

Rondom de paddenstoel komen veel plavuizenaren samen. Ze bewegen zich – stiefelend, sprintend, soms steppend, skeelerend of skelterend – richting het ongeveer een halve meter hoge wegwijzertje. Dan kijken ze vlug naar wat erop staat en ze kiezen hun richting.


Voor sommigen is het paddenstoeltje meer dan een wegwijzer. Het is een raadgever. Waar moet ik heen, vragen Plavuisters zich af en ook: waar moet hét heen. Het witte, plastieken objectje geeft dan richting. 


“Och, Marmermolenweide is maar drie kiloknopen vanaf hier.”, verzucht een oud dametje op een achttienwielig staplankje, voordat ze haar ‘weg’ vervolgt. “Nee, maar! De granietengrotten zijn slechts vijftien kilominuten stickeren!”, roept een vreugdevol zwijntje in een astronautenpak met blubbervlekken. 

De blijdschap van de voorbijgangers is tekenend voor deze plek. Zo gaat dat met dit soort paddestoelen. Misschien heb je het zelf ook weleens ervaren toen je ergens in een bos voor zo’n levensecht recreatief bewegwijzerding stond…


Hendrik dan. Die gaat ver hoor, navigatiepaddenstoel-technisch gezien. Bijna dagelijks begeeft hij zich met een van die rare stokjeslopers naar de plek in het midden van zover je kijken kunt. Oh, wat is het er druk. Zoveel enthousiasme. Onbegrijpelijk dat het marmer er geen sporen van slijtage vertoont, denkt Hendrik vaak. Hij weet nooit waar hij heen wil. ‘Het ding’ geeft hem dan een bestemming. Althans: dat hoopt hij steeds. Vaak kijkt hij na het lezen van alle ‘plaats’-namen waar de andere wezens heen gaan. Of waar zijn ratio hem op wijst. Soms staat er opeens een nieuwe bestemming bij in de rode ANWB-lettertjes. In een gedeelte van de gevallen besluit hij dan maar weer eventjes te kijken wat die nieuwe plek hem brengt.


Waar moet ik heen met mijn leven. Welke kant moet ik uit? Zal ik het roer omgooien? Zal ik een richting kiezen die ik nog nooit koos? Zijn mijn routebeslissingen tot dusver wel de beste voor mij? Is er geen leuker leven achter de horizon aan de andere kant? Is een leuker leven ook beter? Is een beter leven meer? Hendrik heeft al zoveel vragen gesteld. Keer op keer beweegt hij dapper naar de centrale plek in de geplaveide wereld. En elke keer vertrekt hij weer zonder echte bestemming. Hij gaat een pad op, maar beleeft het pad niet. Voor hij het weet staat hij weer oog in oog met het door de wielrijdersbond geplaatste middelpunt van alles.


De kant die ik kies, kies ik niet echt, bedenkt Hendrik op een dag. Ik laat de keuze afhangen van Paddy! … Tja. Het is zelfs zo ver gekomen dat Hendrik het bemoste paalding waarvan de letters soms afbladderen een koosnaampje heeft gegeven. Eigenlijk sta ik stil, denkt Hendrik, want steeds kom ik weer terug bij Paddy. Is dit dan het beste voor me? Niet meer bewegen en bij Paddy blijven? Hmm… Er staat op de bovenkant van de paddenstoel eehm… Niets. Dus ook niet ‘Paddenstoel: 0,0 plavuizometer’. Hier stil blijven staan is de bestemming dus niet. Okee…


“Paddy, Paddy, waar moet ik heen? Paddy, Paddy, wat moet ik doen?”, vraagt Hendrik dan. Hij tikt met zijn vlakke hand op het harde, onbuigzame kunststof. Dan wil hij op het ding gaan zitten, maar een giraf op een hobbelpaard steekt daar een stokje voor. “Ben je mal! Zo kunnen wij niet zien waar we heen moeten! Straks staat heel Plavuizië stil! Straks valt alles in het graniets! Zeg, scheer je weg! Hoppa! Bewegen jij!” hinnikt de giraf. Hij heeft erg de neiging om een paard na te doen. Niemand weet of dat komt omdat hij zo vaak op een hobbelpaard zit.


Hendrik wil op Paddy kijken waarheen dan weg te scheren, maar de giraf met zijn rare, lange nek staat ervoor. “Skaten jij, skippyballen! Hup, scooteren!” Die verdomde paardenimmitatoren altijd, denkt Hendrik. Nou ja. Ik heb geen optie, want het beest komt behoorlijk agressief over en geeft me geen kans om te lezen wat Paddy allemaal voor me in petto heeft. “Dan maar bewegen.”, zegt Hendrik. Hij kijkt naar zijn voeten en voelt de neiging om… Die kant uit te gaan. Dat doet hij maar.


Na een kilokwop of tien denkt Hendrik: Ik krijg dorst. Droge strot, alles! Okee. Daar verderop bouw ik een limonadekraam. Dan kan ik even hydrateren. En daar komt de veertiende kwokzon op: daar verkleur ik lekker, da’s goed voor me! Hendrik realiseert zich dat hij vaak droomde over het verkopen van limonade, maar nooit de stap heeft gezet. Hij wil immers een stekje langs de perfecte weg. En zit hij daar wel op? Hendrik weet het niet. Hij is in alle hectiek maar gewoon gaan bewegen dit keer.


Voordat Hendrik op de plek is waar hij een limonadekraam wil beginnen, blijken er toch opeens ribbeltjes in het plaveisel te komen. “Oh nee!”, roept Hendrik, “Oh nee!”. Kordaat draait hij zijn scubaboard om, maar achter hem staat nog steeds die verdomde giraf te schreeuwen: “Skiën! Snowboarden! Hé joh! Slowmotionen!” Ach. Die langnek is nu pas bij de wintersporten en filmtechnieken aanbeland, peinst Hendrik. Teruggaan naar zijn Paddy’tje is zonde van de tijd. De hobbeltjes maar nemen dan en daar verderop lekker met alle klandizie aan de limonade? Jeetje.


Hendrik vervolgt zijn weg. Hij kijkt om zich heen en ziet de leegte, de wild variërende luchten en dus wat hobbeltjes. Ook ziet hij figuren terugkeren naar de paddenstoel en hier en daar zijn er plekjes waar hij dingen kan doen. Eerder deed hij geen dingen, want voor hij ergens aan begon, ging hij terug naar Paddy. Vandaag niet.


“Vaarwel Paddy”, zegt Hendrik in zichzelf. Hij moet lachen. Paddy kan helemaal niet bewegen, dus ook niet wel varen. In tegenstelling tot de praatpalen, laat de ANWB de paddenstoeltjes namelijk gewoon op hun plek staan. Daar komt voorlopig geen beweging in. Zich afvragen waar hij heen wil: dat doet Hendrik voorlopig niet meer. Hij gaat gewoon. En nooit zal hij verdwaald raken, want hij is gewoon maar gegaan.


Als ik die giraf ooit nog tegenkom, denkt Hendrik, stop ik met bewegen. Gewoon om hem even te vragen of hij van zijn hobbelpaard wil komen. Als hij dat doet, geef ik hem een welgemeende knuffel, een glas limo en dan… Dan ga ik verder. 

 

Dit verhaal schreef ik in het voorjaar voor de schrijfclub. De opdracht was om een half uur op de grond te liggen, naar het plafond te staren en te beschrijven wat er in je opkomt.


Henk droomde niet met Sinterklaas

 

Henk was een dromer. Al op de basisschool, groep 5 was het, viel het op. De juf zei: “Henk. Je bent een dromer. Dat valt me op.” Henk hoorde het niet. Hij droomde. Zijn dromen waren kwantitatief hoogstaand. Er waren maar weinig momenten dat Henk niet droomde.

Met Sinterklaas was hij er wél helemaal bij. Daar had hij dan steeds maanden naartoe gedroomd. Al ruim voor de eerste klopjes van Zwarte Piet was alle aandacht van Henk in het hier en nu. Tijdens het uitpakken van de cadeautjes: volle attentie. Bij het voorlezen van de gedichtjes: helemaal erbij. En ja, ook wanneer Henk met de baard in de keel neuriënd de surprises in elkaar flanste (een groot boek voor zijn belezen zus, een papier-maché paard voor zijn moeder, die overigens weinig had met paarden en andere hoefdieren) liet hij zich niet tot nauwelijks afleiden door dromen over wat dan ook.

 

Sinterklaas bleef altijd een rustpunt voor Henk. Alles rond de goedheiligman bracht een stilte in zijn razende storm van dag- en nachtdromen. Op de gekste momenten kon het hem overvallen. Waar menig Nederlander bijvoorbeeld steen en been klaagt bij het voor het eerst aantreffen van een schap pepernoten bij de super, leefde Henk de hele zomer juist toe naar dat moment. Verregende moeders aan het begin van de herfst met hun uitgelopen mascara en een boodschappenmand vol noodzakelijkheden: Henk zag ze met zijn volle bewustzijn met hun ogen rollen bij het aantreffen van de vroege lekkernijen. En ook de kinderen, die direct ontstaken in een uitzinnige Sint-gekte: Henk zag ze. Hij hoorde ze. Hij beleefde ze. Het deed hem denken aan zijn eigen kindertijd. Dan was hij ook telkens zo blij bij het eerste strooigoed.

 

Decennialang kreeg Henk therapie. Al vanaf zijn achtste werd geprobeerd hem te laten stoppen met dromen. “Henk van Westraven, hoor je me? Hallo? Henk? Van Westraven? Joehoe? Hé ha-lo-ho! Toettoet! Hey! Meneertje! Nocnoc! Somebody there? Henkie! Henkie! Westravie! Heeee! Hallo? … Nee. Nee, nee. Het wordt andermaal niets vandaag mevrouw. Neemt u uw zoon maar weer mee.”, zei een niet al te professionele therapeut vol charisma. Mama Van Westrave trok een teleurgesteld gezicht. “Ja, sorry madame. Ik heb met lichtjes in zijn ogen geschenen, hem gekieteld en in zijn oor geschreeuwd. U heeft het gezien, toch?”, ging de ‘specialist’ verder. “Het doet hem niks. Hij heeft zijn dag niet ofzo. Vandaag geen elektroshock. Niks ervan. Nee, ik kan hem niet helpen mevrouw. Excuseer me, ja?

 

De naam van de goedheiligman viel nooit tijdens de sessies. Bij geen enkele therapeut kwam ‘Hij’ ter sprake. En dus zat Henk daar maar wat voor zich uit te dromen. Ogen op halfzeven, kwijl in hele slierten op zijn kleren, in zijn broek plassend… Tja. De zindelijkheid. Het werd wel wat minder rond zijn dertiende hoor, maar het bleef een zwak punt. Zo ook bij het zien van de eerste Sint van het jaar. Of het nu ging om de versie op het jeugdjournaal, een mislukt geval in het winkelcentrum of slechts een afbeelding op inpakpapier: de eerste van het jaar werd vergezeld van een straaltje urine langs een van Henks benen. Alle aandacht voor de meneer met zijn Pietjes, geen aandacht voor de blaas. Het gebeurde hem een paar jaar terug nog. Zijn moeder heeft het gezien en gezegd. Tegen vriendinnen, leraren, dokters, pastoren en loodgieters, maar dus niet tegen een van al die zielenknijpers…

 

Zoals het vaak gaat met dingen die in grote getalen op je af komen: de kwaliteit laat te wensen over. En zo gold dat ook voor Henks dromen. Dit is was nachtmerrie van Henk:

 

Het tuinhekje van het ouderlijk huis bleef een nacht open staan, waardoor de oude fiets van zijn moeder werd gestolen. Ze vond het niet leuk dat ‘ie gejat was, maar had op zich toch al het plan om het barrel naar het milieupark te brengen, omdat ze er nauwelijks op reed. Wel jammer dat ze bestolen was… Henk schrok wakker en begon te dagdromen: ‘Die rode stoel had wel een koudere aanblik gehad als die blauw was geweest. Dat komt omdat bepaalde tinten nou eenmaal aan een lagere temperatuur doen denken dan anderen.’ De gedachte maakte hem slaperig.
Henk heeft ooit één natte droom gehad. De vlek in zijn onderbroek werd door zijn moeder opgemerkt. Ze stopte even met het uitladen van de wasmand en zuchtte.

 

Op zijn tweeënzestigste droomde Henk nog steeds veel over weinig. In zijn straatje woonden tientallen buren met jonge kinderen. Hij woonde op dat moment op de hoek, het huisje met het nummer 59. In het najaar zat Henk lekker in de film, zoals ze dat tegenwoordig zo leuk zeggen. “Ik zit lekker in de film, man.”, klinkt het vaak. Nou, als ze dat tegen je zeggen, dan weet je het wel. Dan zitten ze lekker in hun vel. Zit er eigenlijk weleens iemand lekker in de film, maar niet lekker in zijn vel? Of andersom? Enfin. Het liep tegen december en de voorbereidingen voor Het Grote Straatwinterfeest werden getroffen. Zaterdagavond 2 december vanaf 15.00 uur zou het plaatsvinden. Locatie: bij het fonteintje in het midden van de straat. Iedereen zou dan iets te eten of te drinken meenemen. Net als in eerdere jaren.

 

Ria, die elke zomer met haar man Dick vier weken naar Malgrat de Mar ging, maakte jaarlijks sangria klaar voor het buurtfeest. Ze nam veel initiatief. Zo opperde Ria tijdens De Grote Straatvergadering, voorafgaand aan het gebeuren van 2016: “Zullen we dit keer een Sinterklaas laten komen? Leuk voor de kinderen!” Er werd gelachen en geknikt. “Heb je die ouwe goedzak meegenomen in de skibak vanaf de Costa Brava, van de zomer?”, grapte Leo van nummer 34. “Nee, dat heb ik niet. We hebben geen skibak”, antwoordde Ria. “Maar we kunnen toch wel gewoon die zwever van nummer 59 vragen?”, vervolgde ze terwijl ze in de richting van Henks huis knikte. De gordijnen bij de dromer waren dicht. Het was halfacht ’s avonds aan het begin van november. Henk zat lekker in zijn ding (en in de film en in zijn vel) en keek in zijn luie stoel naar een zwart televisiescherm.

 

Leo (nummer 34) werd opeens bloedserieus. Hij zag ‘meneer Henk’ als Sint absoluut niet zitten. “No way, man. Die vent is contactgestoord!”, riep hij. “Nou, hij droomt.”, mompelde de buurtcommissaris en tevens zeurkous van de straat. Op dat moment stond Marleen plotseling en resoluut op. Ze zette haar glas wijn op tafel en verplaatste haar montuur van haar neusvleugel naar haar ruige, krullerige haardos. De bril zat aan een touwtje, maar verder was ze een hippe moeder van net geen veertig. Met een zangerige stem zei ze: “Ik moet gaan. Bas moet morgen voetballen en Cato naar viool. Trouwens… Ze krijgen al genoeg cadeautjes hoor. En een sinterklaas huren is wel een grote hap uit Het Grote Straat- en Winterfeestbudget. Kunnen we anders niet zo’n standje met glühwein doen?”

 

Dit verhaal schreef ik in opdracht van mijn schrijfclub. De opdracht was een verhaal te schrijven waarin niets gebeurt. Ik koos, zoals je misschien (er is veel concurrentie) gemerkt hebt om een verhaal te schrijven waarin 'iets' heel erg 'niet' gebeurt. Arme Henk.


Hoogtepuntje op de hei

 

Met een auto vol kleding, fotocamera’s en wiet rijd ik naar een huisje op de Veluwe. Ik neem een omweg via Oldenzaal. Daar bekijk ik de typemachine die ik zag op Marktplaats. Op de plek van de z zit een y en andersom. Is dat de Duitse indeling? Het ding blijft in het oosten en ik kom te laat aan in Emst. De bejaarde dame die me ongerust opwacht, kraakt: “Ik hoop dat je hier echt tot rust komt.” Lief. Ze vertrekt.


Ik sluit alle deuren, steek de open haard aan en eet een grote kapsalon. Daarna ga ik blowen, want ik ben een week alleen en dan kan ik – en ga ik – in de pubermodus. Bier drinken, laat naar bed, vette troep vreten en de hele veranda blauw zetten… Het mag! Ik weet niet of ik dit wil of dat ik dit moet, maar het gebeurt in elk geval altijd. Ik ben uitbundig onverstandig en volgens mij geniet ik daar ergens wel van.


Als de dagen verstrijken, krijgt mijn lijf ook weer wat aandacht. Er komt makreelsalade op tafel en ik loop vaker langs de fruitschaal. Op de fiets zet ik zeker 5 kilometer flink aan. Ik begin mezelf te verzorgen, lijkt het wel. En toch: de wietstok blijft. Apestoned ben ik alleen aan het zijn. Daarmee is ‘het’ gelukt. Voor dat laatste, alleen zijn, toog ik tenslotte naar het bos.


Hoe meer ik blow, hoe meer alleen ik me voel. En hoe meer alleen ik me voel, des te meer ik blow. Je hebt een mooi woord voor dit soort situaties… “Waarom wil ik dit?”, vraag ik me hardop af. Ik praat steeds meer in mezelf. “Doe ik dit voor de rust? Ben ik rustig? Niet echt…”, zeg ik ook. Ik bel een vriend die depressief wordt. Het meisje waarvan ik de warmte mis, spreek ik eveneens een uur. Daarna ben ik weer alleen.


Ik zet de vaporizer uit en de iPod aan. De portable speaker op standje tien. Er is toch niemand die er wat van zegt… Ik zing hard mee met de muziek: niemand die me hoort… Het lijkt wel of ik de muziek beter hoor en meer beleef. Kan ook komen door de kleine pupillen natuurlijk: er komt immers minder licht binnen, zodat ik meer aandacht hebt voor wat er met mijn trommelvliezen gebeurt.


Alleen zijn met de muziek is puur en intens. Ook is het confronterend. Net alsof ik helemaal alleen ben met een goede vriend. Na een tijdje houdt de andere persoon me vaak een spiegel voor, zonder dat het de bedoeling of intentie is. Het biedt een niet per se prettig, maar wel leerzaam en waardevol inzicht. Zo word ik me nu bewust van mijn onrust. Een heel nummer geconcentreerd lukt me niet zomaar.


Ik ga onder de douche in het kleine, houten boshuisje. Zo fijn: gisteren bij het lokale Sparretje kocht ik mondwater, een nieuwe tandenborstel en een volle tube Aquafresh voor mezelf. Heb het allemaal meegenomen het badkamertje in. Ik moet lief zijn voor mijn tandvlees in plaats van erop lopen… En hoe erg is het om onder de douche te poetsen en te spoelen? Hier heb ik er tenslotte alle tijd voor.


Koud afdouchen maar? Is goed voor de doorbloeding… En thuis kan het niet meer, want die verdraaide thermostaatkraan wil ‘t al een jaar niet meer. Nee joh, het is half november! Het water is ijskoud! Straks krijg ik een hartstilstand van de schrik! Dan lig ik hier dood te wezen, in de douchecabine ver het achterland in. Met een douche op het naakte lichaam dat ervan me over is… Ja: nu ben ik dus alleen met mijn angsten.


De grote iPod-speaker staat in het badkamertje. Ik bedenk me dat alleen zijn met de muziek ook één zijn met de muziek betekent. En dat is niet zo erg alleen: het is behoorlijk samen zo. Heel even vormen mijn ziel, het ritme en de melodie het universum. Dit is ons universum. De muziek en ik: Wij Zijn en dat is genoeg. Ik neurie knetterstoned mee met een nummer dat ik lang niet hoorde en voel rust in mijn lijf.


Ik denk door: Als mijn hart er nu mee stopt, gaan ze me binnen 48 uur niet vinden, laat staan missen. Tegen de tijd dat de plaatselijke bromsnor de deur van mijn retraiteverblijf intrapt, hangen de ijskoude vellen erbij en vormen ze kaarsvetachtige sliert naar het doucheputje. Een nakend lijk waar al dagen een douche op staat. Ik zie een beeld uit een koude, Zweedse detective. Water maakt echt alles kapot…


Mijn warme vriendin vertelde ik nog over mijn angsten. “Misschien dat iemand wel het huisje in komt en me afmaakt. Wat als de boer op de tractor me over het hoofd ziet en aanrijdt? Als je het haardvuur niet in gaten houdt, kan je sterven aan een koolmonixidevergiftiging.”, raaskalde ik. Ze hoorde het liefdevol lachend aan. “Niet bang zijn voor jezelf, lieverd”, appte ze me na het gesprek.


Ja. Van die koude douche ga je misschien wel dood, zeg ik tegen mezelf en in mezelf. “Ach fuck it!”, roep ik hardop en ik stap onder de ijskoude stralen. Eerst voor. Tienduizend naalden prikken in mijn buik en borst. Ik bekijk mijn lichaam dat nog steeds leeft en omarm de pijn. “Ja!”, schreeuw ik het uit. En dan achter. De koude spetters nemen bezit van mijn rug. Ik adem kalm en niemand hoort hoe ik “Yes!” gil…


Licht gedrogeerd onder een koude douche met een muziekje. Waar hebben we het in Godsnaam over?! Over mijn hoogtepunt. Ik voel hier pure levenskracht. Op deze plek staat een lichaam dat vól energie is en totaal niet wankelt. Ik gooi mijn hoofd onder de douchekop en dan draai ik rondjes in de cabine. “Aahahahahah. Aaaahahah!”, klinkt het ergens in een bos. Huil ik nu? Of lach ik? Wat is het?


Als ik in de spiegel kijk, weet ik niet of ik tranen zie, maar terwijl ik me afdroog, barst ik in huilen uit. ”Hier ga je niet dood van. Hier ga je van leven! Ik leef! Ik leef, ik leef!!!”, zeg ik tegen mezelf en iedereen die het horen wil.


… Had ik die typemachine maar gekocht. Dan had ik haar berichtje op papier gezet: “Je kunt ervaren dat je helemaal niet dood gaat als je alleen bent. En je kunt trouwens ook gewoon doodgaan als er super veel mensen om je heen yijn.”

 

Dit verhaal schreef ik op de hei. Ik mocht het voordragen aan de Leeszaal West in januari. Dat was erg leuk om te doen. Onderstaande video maakte ik geïnspireerd op de gebeurtenissen in het verhaal.


Horny Cleaninglady

 

Jesse deed zijn best, maar was zenuwachtig

 

Eerst was Jesse tekenaar. Met zijn HB-potloodje kwam hij tot roemruchte prestaties. De burgemeester prees zijn werk. “Deze Jesse kan derhalve fascinerend overweg met zijn gerei, dat ondergetekende zojuist een klein, maar betekenisvol traantje liet, toen hij getuige was van een van zijn kinderlijke doch ontzagwekkende tekenkunsten!”, riep de man met zijn overdreven ketting op de open middag bij de huttenbouw, alwaar Jesse een portret van de bijzonder ambtenaar had opgekrabbeld. Hij deed daarbij wel zijn best, het was immers de grote meneer Van Paats himself, maar de zenuwen speelden hem parten, waardoor de potloodtekening in kwestie qua goedgeluktheid niet tot nauwelijks boven zijn andere werkjes van die tijd uitstak. Het was 1990. Jesse was amper tien.

 

Maria: trots zonder geloof

 

Maria van la Parra had twee zoons. De oudste, Gerben, was een handelaar pur sang. Altijd had hij weer iets van het een of ander in de aanbieding. Soms leek het ‘gat in de markt’ dat hij gevonden had veelbelovend, maar telkens moest hij het na verloop van tijd weer opgeven. Van zijn bank, van zijn vrouw, van zijn vrienden, of van eigenlijk iedereen. Fietsen met een gemakkelijk te fiksen gebrek voor een prikkie was de ‘vondst’ die nog de meeste weerstand opleverde. “Voor echt weinig heb je een prima fietsie en je hebt ‘m echt in no-time in topconditie!”, verkondigde Gerben aan elk mens dat het wel of niet horen wilde. Wie koopt er in Gódsnaam een fiets die naar zijn moer is?!”, was de vraag die zelfs zijn bloedeigen moer hem stelde. Maria was heus trots op het enthousiasme, het ondernemerschap en het volharden van één van haar oogappeltjes, maar dit was weer geen top-idee. En nee hoor: ook in Hongarije zit er echt niemand op halfgare barrels te wachten. Ja, kijk… Ger zocht het succes over de grens, kon dat taaltje op gegeven moment wel echt leuk, maar verkocht na zestien maanden slechts drie fietsen. “Kössenöm!”


Jesse pakte een camera en een duckface


Het gebeurde tijdens de busreis naar Salou. Het was 1999 en op de derde stapavond op rij grabbelde Jesse zijn speciaal voor deze vakantie meegenomen wegwerpcamera tevoorschijn uit zijn laatste nog schone jeans. Er was een groepje ‘geile wijven’ op de dansvloer van club de Snoopy’s gaan schuifelen die de aandacht opeiste van een hele pluk hippe adolescenten uit West-Europa. Kate – eigenlijk heette ze Katharyna, ze kwam uit Opozjev, een dorpje vlakbij Krakau – droeg een veel te strak roze jurkje met glitters. Best ordinair, maar ze kon het hebben met haar nieuwe tieten (ze was 17 en ze hadden pas nét deze grootte), haar strakke kont (paardrijles) en haar verder perfecte verhoudingen (als gevolg van genetica hoogstwaarschijnlijk). Hiermee kreeg ze iedereen met een piemel, testosteron en enige heteroseksualiteit gemakkelijk in vervoering. Zo ook Jesse’s posse.

De jongen die eerst zo handig was met zijn potloodje besloot dat voor dit tafereel wel een van de 36 opnamen gebruikt kon worden. Hij draaide gretig door tot het wieltje blokkeerde en toen drukte hij op de plastieken knop. De flits vergat hij, maar er was op die paar nanoseconden voldoende licht op hoofdje van Katharyna. Net als op haar tien dagen intensief gebruinde en bestaarde decolleté. Madamski genoot van de aandacht en tuitte haar lippen, omdat die zo ook al lekker vol leken. En zo trok Jesse de eerste duckfacefoto ooit, maar daarvoor heeft hij nooit officieel erkenning gekregen. Toch raar? Het wordt tijd dat iemand eens gaat bijhouden wie van bepaalde verschijnselen die in de mode geraken officieel de eerste foto trekt! En toch: Jesse was blij met de foto. Zwaar onofficieel, maar hij trok er heus veel bekijks mee. In de eerste jaren na de Saloureis trok hij er zich ook regelmatig op af. Kate moest eens weten! In de zomer van 2000 begon Jesse aan de foto-opleiding. Er liepen weinig burgemeesters rond op de open dag, maar toch kreeg de nieuwste pupil in de klas meteen veel erkenning voor zijn klikkunsten.

 

Maria: zoons trokken samen op

Nu had Gerben het helemaal gevonden. Dit zou ‘m worden. Kijk: roken lag steeds meer onder vuur in een groot deel van de wereld, maar in een film in de bios was de hoofdrolspeler mooi wel aan de dikke sigaren. “Ik wil mijn eigen sigarenmerk met extra grote, handgedraaide sigaren uit Cuba!”, zo besloot Gerben met een mond vol popcorn. Vol trots belde hij zijn broeder Rico. “Nu heb ik écht het gat in de markt, Riek”, zei Gerben. “Doe jij mee, want jij hebt ervaring met die Cubanen!” Rico was eens met een bustoer door Cuba gegaan en had er toen zelfs een sigarenfabriekje bezocht. Op het moment dat de vraag kwam, was hij herstellende van een hernia, opgelopen tijdens het schoffelen op de kwekerij. “Ja man, doen we!”, riep Rico meteen. Drie maanden van ‘onderzoek’, twee vliegreisjes naar Havana, wat slippertjes in obscure hotels en een ongelukkige beroving later (Gerben liep met zijn briefgeld uit zijn kontzak) was het zover: Gerben’s en Rico’s Smokings betrad de markt. De GRS-XL-serie was het paradepaardje. Deze ‘handmade’ sigaren waren bijna 4 centimeter dik. Totale waanzin natuurlijk, maar het moest een nieuwbakken sigarenmerk wat bekendheid geven. “It’s al about branding cigars!”, bazuinden de broers overal rond. Ze lieten er vierduizend draaien. “Komt wel op.”, mompelde Gerben of Rico.

 

Jesse werd een lippenspecialist


Je hebt kleine, kinderlijke meisjes die door meerdere negroïde mannen eerst in hun poeper en dan in hun roeper worden genomen. Op camera. Je hebt lilliputters die een klein-maar-oh-zo-hard piemeltje krijgen als iemand in hun bek pist. Op camera. Je hebt vastbinden, slaan, besmeuren. Op camera. If it exists there is a porn of it. En: “Alles begint ergens”, zei ooit iemand. Ook zei ooit iemand: “Hé, zal ik samen met mijn vrienden sperma over je gezicht spuiten en dat we dat dan opnemen met de camera?” Zo ontstaan, na oefenen en oefenen, specialismen.

Jesse’s eerste eendenbek werd dan misschien niet opgemerkt: dat hij goed overweg kon met een camera en vlees, dat wist al snel iedereen die een beetje een rol speelde in de porno-industrie. Als er ook maar ergens een piemel een gat in ging, kreeg Jesse de call. Al snel werden dat ook allerlei andere cilindervormige objecten. De combinatie mond-of-poes-en-spulletjes: het was Jesse’s ding. Als eerste fotografeerde hij zo ook een complete maiskolf die een kut in ging. Het lippenwerk klopte precies. En ja hoor: nu kreeg hij wél de erkenning die iedereen hem zo gunde. “Jij hebt talent. Je mag met mij een echte HP-film gaan maken.”, zei een belangrijk figuur. “Ik blijf bij kiekjes.”, stamelde Jesse, die met weemoed terugdacht aan zijn HB-tijd. Lekker schetsen, stuffen en dan maar waardering oogsten. Zo overzichtelijk. Dat was een mooi leven.

 

Maria: poetsen zonder geloof

Het werd niks met de sigaren. Alleen de kleintjes deden het leuk, want die waren gunstig geprijsd. Maar ja: Mr. Branding had die juist voor kostprijs in de sigarenwinkels laten leggen, zodat het merk aandacht zou krijgen. Met de naamsbekendheid zat het dan ook gewoon goed. “G&R-sigaartjes, dat zijn toch die goedkope Cubaantjes?”, zei men. En dan: “Niet te smoken, maar wel lekker cheap!” Ook: “Ze hebben van die hele dikke.” Maar: “Ja, maar die zijn focking duur.” En: “Ja, en smerig!” Dat zei men. Pas na een paar maanden van indrukwekkende omzetten en negatieve marges kwam aan het licht dat het heel zo goed niet ging. De heren Van la Parra konden hun rekeningen niet meer betalen. Iedereen om Gerben heen probeerde de boel te redden. Rico stond zich weer een breuk te schoffelen op de kwekerij en Maria – die dat sigaar-idee helemaal nooit zag zitten – ging schoonmaakwerk doen in hotels aan de onderkant van de horecabranche.

 

Jesse had last van beroepsdeformatie

 

Een tandarts kan het niet laten in iedereen zijn bek te kijken of er nog wat gefikst kan worden, een slager denkt bij elk beest dat ‘ie rond ziet huppelen hoe die het beste in mootjes te hakken is en als je een belastingmeneer als gezellige buurman hebt, gaat ‘ie geheid een keer tussen je post zitten kijken. Jesse had ook last van beroepsdeformatie. Frikandellen, bananen, Dopper-drinkbekers: alles dat een beetje de contouren van een lul had en richting iets ging dat op lippen leek, ging op de foto. Ook in zijn vrije uurtjes. Voor een dubieuze klus voor een laag blad verbleef Jesse vier dagen in hotel ‘River Blue House’ dat lag een heel onguur plaatsje aan een vieze kust. Zijn schoonmaakster had een enorme sigaar in haar mond. “Mag ik een kiekje van u trekken?”, vroeg Jesse. Maria had nog niet geantwoord of het sluitergeluid klonk door de plakkerige kamer. “Dat moet u aan mijn zoon Gerben vragen.”

 

Maria: bleef op de wc

 

Gerben vond het prima dat er foto’s van zijn moeder werden gemaakt. Wel wilde hij er een lijstje omheen en in ruil voor het portretrecht nog wat extra foto’s van het SD-kaartje van Jesse. Zo geschiedde. Rico – inmiddels in een rolstoel – werd enkele jaren later naar een ambachtelijk marktje in een toeristisch stukje Hongarije gestuurd. Daar probeerde hij een serie omlijste foto’s aan de man te brengen. “Big photographer in HP.” Ook had hij allerlei andere rotzooi uit huize Van la Parra te koop, zoals geknakte frames (“Bike rides perfect”), kromme trappers (“If you trap hard enough, no problem”) en een doos splinternieuwe, absurd grote sigarenbanden (“Bracelets for the kids!”). Het kraampje werd slecht bezocht. Alleen het portret ‘Horny Cleaninglady’ vond aftrek. Dat hangt nu op de plee in een Hongaarse AirBnB. Daar trok ik me laatst enorm een foto en trok ik door. Iedereen blij!

 

Dit verhaal schreef ik vorig jaar op vakantie. De opdracht was iets te schrijven over een kunstwerk. Hieronder een foto van het prachtige artwork in onze vakantie-bnb.

 

 


 

Tot zover de verhalen hier. Bedankt dat je helemaal naar het eind van deze pagina hebt gescrold. Dat vind ik heel bijzonder. Nee, echt. Serieus. Ik ben heel bescheiden. Nu nog wel in elk geval. Kijk, je weet nooit waar ik over een jaar of tien sta. Sterker nog: je weet nooit óf ik over een jaar of tien nog sta. Of besta. Nou zeg, ik hoop het wel. Bestaan is leuk. En staan meestal ook wel. Soms is liggen ook best fijn. Bijvoorbeeld als je heel moe bent. Of bedwelmd.

 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.